Belangrijke Informatie
Toeslagenaffaire

Onderzoeksrapport Auditdienst Rijk Ministerie van Financiën Toeslaggerelateerde CAF-zaken

Rapport van de Auditdienst Rijk (ADR) naar toeslaggerelateerde CAF-zaken. Dit gaat over stopzetting van kinderopvangtoeslag door de Belastingdienst.

Onderzoek toeslaggerelateerde CAF-zaken | Rijksoverheid.nl

Het CAF-team richtte zich op georganiseerd misbruik van toeslagen met behulp van een facilitator. Hierbij werd vanuit risico’s van fraude en vermoedens op basis van signalen geopereerd. In externe bronnen wordt afwisselend gesproken over 'fraude' en 'misbruik/oneigenlijk' voor dezelfde type onderzoeken door het CAF en Toeslagen. Voorts omschrijft de ADR de term fraude als volgt: ‘situatie waarin bedrog wordt vermoed, omdat zaken mogelijk met opzet anders worden voorgesteld dan deze in werkelijkheid zijn’.1   Uit de steekproef in 7 CAF-onderzoeken volgt dat de termen ‘fraude’ en ‘valsheid in geschrifte’ meerdere malen voorkomen in de aangetroffen documenten. Daaruit, in combinatie met bovenstaande begripsomschrijving, leid ik af dat het CAF-team onderzoek heeft gedaan naar (signalen van) fraude in toeslaggerelateerde zaken.  Bron: Directie Juridische Zaken Ons kenmerk 2022-0000265213

In uw brief van 23 mei 2022, ontvangen op 23 mei 2022, heeft u  met een beroep op de Wet open overheid (hierna: Woo) verzocht om informatie over alle (digitale en fysieke) informatie die betrekking heeft op onderzoeken zoals genoemd in bijlage 2 van het ADR-onderzoeksrapport ‘Toeslaggerelateerde CAF-zaken’, naar:  • Diefstal (art. 310 Sr); • Verduistering (art. 321 Sr); • Bedrog (art. 326 Sr); • Valsheid in geschrifte (art. 225 Sr).

Let op: het gaat hier alleen om toeslaggerelateerde zaken. Er zijn ook niet toeslaggerelateerde zaken.

Openbaargemaakte documenten bij besluit op Woo-verzoek over fraudeonderzoek en CAF.pdf

Lees ook: Kamerstuk 31066, nr. 608 | Overheid.nl > Officiële bekendmakingen

Over nationaliteit en selectie:

31 066 Belastingdienst

Nr. 651 VERSLAG VAN EEN GESPREK

Vastgesteld 2 juni 2020

De vaste commissie voor Financiën heeft op 18 mei 2020 overleg gevoerd over het rapport Toeslaggerelateerde CAF-zaken (Kamerstuk 31 066, nr. 608).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

De voorzitter van de commissie,Anne Mulder

De griffier van de commissie,Weeber

Voorzitter: Anne Mulder

Griffier: Freriks

Aanwezig zijn tien leden der Kamer, te weten: Van Kooten-Arissen, Kuzu, Leijten, Lodders, Anne Mulder, Edgar Mulder, Nijboer, Omtzigt, Snels en Van Weyenberg,

De voorzitter:

Ik open dit gesprek met de heren Brouwer en Roodnat van de Auditdienst Rijk over het onderzoeksrapport over toeslaggerelateerde CAF-zaken. Ik heet beide heren van harte welkom.

Ik wil het vandaag als volgt gaan doen. De heren Roodnat en Brouwer hebben een presentatie. Die heeft u ook voor u. Ze zullen die verder toelichten. Als dat klaar is, doen we de vragen. Zullen we het zo doen? Ja.

Ik geef het woord aan de heren Brouwer en Roodnat.

De heer Roodnat:

U zei dat het wat stroperig ging met de informatieverstrekking. We hebben de uitzondering in ons rapport opgenomen. Wij hadden het erover dat 95% of meer van de informatie direct beschikbaar was. De vergaderverslagen die we in ons rapport hebben genoemd, die ontbreken. Daar hadden we wel een aanwijzing dat er een vergadering geweest zou zijn, bijvoorbeeld omdat in een vorig vergaderverslag wordt verwezen naar de vergadering in de toekomst of vanuit de toekomst terug. Ik wil wel benadrukken dat dit echt uitzonderingen zijn en dat de Belastingdienst er bij de informatieverstrekking alles aan heeft gedaan om ons tijdig de goede informatie te geven.

Mevrouw Lodders (VVD):

Dank voor uw komst en presentatie en het feit dat u hier met ons in gesprek wil gaan. Ik wil ook even doorgaan op het voorliggende punt. Ik heb begrepen dat u als ADR niet de bevoegdheid heeft om door te pakken op het moment dat informatie niet gedeeld wordt die u wel vraagt. Die vraag stel ik even expliciet. En dan de vervolgvraag. Ik hoor u net zeggen dat ongeveer 95% van de informatie die gevraagd is, of misschien zelfs wel iets meer, direct geleverd is. Maar wat zegt het feit dat informatie niet aangereikt wordt over de rest van dat onderzoek? U heeft als onderzoekscommissie om een aantal documenten gevraagd. Is het zo dat de Belastingdienst ook actief zelf zaken heeft geleverd?

De heer Brouwer:

Kijk, wij kunnen natuurlijk wel doorpakken, alleen, als het er niet is, is het er niet en dan kunnen we niet verder dan het in de rapportage opstellen. En wat zegt dit over de rest van de rapportage? Als we kijken naar het eerste onderdeel, over de CAF-dossiers, is in het verleden een deel van de CAF-dossiers in beeld gebracht. We hebben in de rapportage opgeschreven hoe dat proces tot stand is gekomen. Daarmee kunnen wij niks zeggen over de volledigheid, dat is een stap te ver, maar je kan wel zien dat het proces om de informatie boven water te krijgen zo zorgvuldig mogelijk is geweest.

e heer Snels (GroenLinks):

Ik wil nog één vraag stellen over die informatie en dan heel specifiek over waar de heer Mulder net ook over begon: het memo met de aantekeningen van Staatssecretaris Wiebes. Is dat voor jullie ook aanleiding geweest om bij Sociale Zaken en Werkgelegenheid expliciet informatiememo's op te vragen? Hoe is dat gegaan op dat ministerie?

De heer Brouwer:

Dit deel valt buiten de scope van de opdracht. We hebben puur de tijdlijn beoordeeld en daar valt het deel van SZW uiteindelijk buiten.

Mevrouw Leijten (SP):

Ja, voorzitter. In de nasleep van die CAF heeft u natuurlijk bekeken en bestudeerd: is daar vergelijkbaar gehandeld? Maar in die hele CAF 11-zaak, die natuurlijk de eerste aanleiding was tot wat de «Toeslagenaffaire» is gaan heten, is heel lang doorgeprocedeerd met de landsadvocaat aan de zijde. Het lijkt mij dat daarover bestuurlijke besluiten worden genomen. Na dat gedeelte, dus eigenlijk wat er na 2017 is gebeurd met mogelijke rechtszaken, hebben jullie dus eigenlijk niet verder gekeken naar welke besluitvorming er heeft plaatsgevonden, wie daarop toen heeft besloten om door te procederen? Dat zijn elementen die in ieder geval voor mij, maar ook voor de Kamer, wel schokkend zijn geweest, omdat we aanleiding hebben om te denken dat daarbij ook met niet-volledige dossiers naar de Raad van State is gegaan, door de landsadvocaat in dit geval. En dit was wel openbaar bekend en het is ook besproken in de Kamer voordat u uw onderzoek startte. Dus ik zou graag weten: waarom zit die juridische nasleep van de CAF 11-zaak en andere CAF-zaken niet in de reikwijdte van het onderzoek? Komt dat van u uit? Het kan ook zijn dat u het niet gezien heeft, of dat het er in het overleg niet uit is gekomen. Maar het zit ook niet in de tijdlijn van de Belastingdienst, dus daarom denk ik een beetje dat ze u daarmee op een bepaald spoor hebben gezet, waardoor een bepaald gedeelte helemaal uit beeld is geweest. Dat zou dan wel heel zonde zijn.

Mevrouw Leijten (SP):

Het puzzelt mij een beetje. Aan de ene kant zegt u dat het ministerie het disproportioneel vond en de bel aan het luiden was bij Sociale Zaken, maar daar niet doorheen kwam. Het is een groot vraagteken wat daar toen is gebeurd. Maar tegelijkertijd zien we natuurlijk dat diezelfde Belastingdienst, die het eigenlijk disproportioneel vond, in de jaren daarna wel het besluit neemt om door te procederen en door te procederen, eigenlijk om op die manier een beleid voor de Raad van State geaccordeerd te krijgen. Daar moet dan toch ook besluitvorming op zijn? En dat zou prima onder 9 kunnen vallen, want het zijn toch de ambtelijke leiding en de politieke top die de besluiten nemen om te procederen.

De heer Roodnat:

Naar aanleiding van de vraag van mevrouw Leijten: in één onderdeel van ons rapport wordt gerefereerd aan een zaak die aanhangig is gemaakt door Financiën, en dat gaat over wat er in een beroepsdossier moet zitten. Een van onze controlepunten was: is er een deugdelijke onderbouwing van, in dit geval, de beroepszaak? Toen liepen we tegen die actie aan, en zagen we, als ik het zo mag zeggen: hé, dat is op dit moment onder de rechter. Maar wat moet nou precies de inhoud zijn van een beroepsdossier? Dat hebben we ook vermeld in het rapport. Maar anderszins hebben wij verder geen acties vanuit de politieke top, arresten of uitspraken die er zijn geweest, gevolgd.

Mevrouw Van Kooten-Arissen (GKVK):

Dank u wel, voorzitter. Veel dank aan de onderzoekers voor hun komst. Ik heb nog een vraag over de conceptversies. Follow the Money heeft een andere versie dan de eindversie in handen gekregen. Het schijnt eigenlijk gebruikelijk te zijn dat onderzoekers met het ministerie onderhandelen over de eindversie. In het concept dat Follow the Money in handen heeft, staat een andere zinsnede over niet-Nederlanderschap. Waarom is dat niet doorgedrongen tot de eindversie? Kunt u daar iets meer over vertellen?

De voorzitter:

Mevrouw Van Kooten-Arissen, u krijgt straks ook nog het woord. Wat ik probeer te doen, is als een van uw collega's een vraag stelt over een bepaald onderwerp en andere leden over datzelfde onderwerp ook nog vragen hebben, hun daartoe de kans te geven, zodat er een gesprek komt. Maar u komt nu met een nieuw onderwerp. Dat is prima, maar we bewaren dat even tot zo meteen, als u het niet erg vindt. Zo probeer ik een beetje structuur aan te brengen, en er tegelijkertijd voor te zorgen dat iedereen aan het woord komt. We houden uw vraag dus vast. De heer Kuzu nu.

De heer Kuzu (DENK):

Ja, voorzitter. Ik wilde een vraag stellen over de tweede nationaliteit. In uw bevindingen geeft u aan dat er in de periode 18 april 2014 tot en met 22 oktober 2018 zo'n 100 zoekopdrachten blijken te zijn uitgevoerd binnen die CAF-zaken. Later, recent, hebben we nog de uitspraak van de Belastingdienst gehad waarin die eigenlijk toegeeft dat er sprake was van etnisch profileren, waarbij het gaat om 11.000 gevallen. Zit er in de informatie die u niet heeft gekregen, wellicht meer? Zijn er meer gevallen bekend van zoekopdrachten op basis van een tweede nationaliteit? Dat is één. En om het boeketje compleet te maken: wat is eigenlijk de logica van het gebruiken van de tweede nationaliteit? U geeft aan dat er een risicoselectiemodel bij de Belastingdienst is. Wat is nou eigenlijk de logica van het gebruik van een tweede nationaliteit bij die risicoselectie?

De heer Brouwer:

De scope van het onderzoek ligt rondom de CAF-zaken. Dat betekent dat we het met name rondom die 149 CAF-zaken hebben bekeken. Daar zit dat verschil met die 11.000 zaken in: onze scope is kleiner, wat het onderzoek betreft. En ten aanzien van het risicoselectiemodel zelf: dat is een zelflerend systeem, dacht ik. Door de Belastingdienst wordt nationaliteit als een van de vele indicatoren gebruikt om het te bepalen, en daar wordt een hoger risico aan gekoppeld. En op basis van de resultaten die gedurende al die jaren worden gemaakt, worden die indicatoren belangrijker of minder belangrijk gemaakt; dat is het risicoselectiemodel in een nutshell. Tja, dat is hoe het risicoselectiemodel werkt.

De heer Roodnat:

Mag ik mijn collega nog even getalsmatig aanvullen? We hebben 149 CAF-zaken onderkend, en daarvan hebben we in 100 CAF-zaken gezien dat de tweede nationaliteit is aangevraagd of geselecteerd. En er zijn ook dossiers – en dan kom ik weer op de informatiehuishouding – die niet geheel compleet lijken te zijn, dus het zou best nog bij meer CAF-zaken geweest kunnen zijn, dus boven die 100, waarbij de tweede nationaliteit als gegeven is opgevraagd.

De heer Kuzu (DENK):

Dank in ieder geval voor dit antwoord: het kunnen er meer zijn. Ik denk dat het ook geloofwaardiger is dat het er meer kunnen zijn. Ik weet ook hoe zo'n risicoselectiemodel werkt, maar ik vraag me het volgende af. In die lijst staan zo veel risicoselecties en zo veel verschillende indicatoren, hoe kan het nou zo zijn dat er een indicator wordt toegevoegd op basis van tweede nationaliteit, wat een hoog risico zou kunnen vormen? Kunt u daar antwoord op geven?

De heer Roodnat:

Ik noem even het onderscheid tussen die 149 CAF-zaken en de 100 selecties. Dat zijn echt handmatig aangedreven selecties, waarbij we de eerste en tweede nationaliteit hebben opgevraagd. Dan is er het risicoselectiemodel, waarbij het niet gaat om eerste en tweede nationaliteit, maar om het al dan niet Nederlander zijn. Dat zit in het risicoselectiemodel. Het is een van de indicatoren, naast vele andere indicatoren die in de behandeling van de aanvraag worden meegenomen. Mijn collega zei het al: het is een zelflerend systeem. Dus hoe zwaar zoiets weegt in de tijd, kan ook nog wisselen. Maar ik denk wel dat dit onderscheid van belang is: bij de 149 CAF-zaken gaat het om de eerste en tweede nationaliteit, terwijl het risicoselectiemodel een belangrijke rol speelt bij de reguliere aanvraagprocedure, dus buiten de CAF-zaken, waarbij het al dan niet-Nederlander zijn verzwarend werkt in de beoordeling. Maar hoeveel zwaarder, kan in de tijd wisselen. Dat probeer je te berekenen, maar daar kwamen we niet geheel uit. Het weegt mee, maar hoe zwaar weten we niet.

De voorzitter:

Tot slot de heer Kuzu. Ik zie dat mevrouw Nijboer en mevrouw Lodders ook nog een vraag willen stellen over de tweede nationaliteit.

De heer Kuzu (DENK):

Ik kan me voorstellen dat de Auditdienst met name is geïnteresseerd in de vraag in hoeveel zaken dit weegt. Ik zit met name te bedenken hoe zo'n proces tot stand zou kunnen komen. Niet de vraag hoe, of hoe zwaar? Maar: hoe komt zo'n criterium er eigenlijk in dat een hoger risico zou kunnen vormen dan andere indicatoren in dat hele risicoselectieproces? Hoe?

De heer Brouwer:

Kijk, de onderzoeksvraag die wij moesten beantwoorden, was de volgende. Wij hebben onderzocht in hoeverre nationaliteit een bepaalde rol heeft gespeeld. Daar geven wij een antwoord op. De vraag die u stelt, gaat weer een stapje verder, maar dat maakt geen onderdeel uit van het onderzoek. Dat gaat een stap verder.

De voorzitter:

Dan moet u het daarmee doen, meneer Kuzu. De heer Nijboer heeft ook een vraag over de dubbele nationaliteit, neem ik aan.

De heer Nijboer (PvdA):

Dank voor uw openbare toelichting. Ik vind dat het zo hoort in het parlement en ik zal dan ook niet bij het volgende gesprek aanwezig zijn. Er is niet voor niets naar gevraagd. Het is zeer ernstig: discriminatie door de overheid. Artikel 1 van de Grondwet verbiedt dat. U stelt vast dat er 100 zoekopdrachten zijn uitgevoerd, en één zaak is echt geselecteerd op die dubbele nationaliteit. Dan vraag ik me af: hoe werkt dat risicoselectiemodel, als dit zo wordt toegestaan? Is er dan niemand in vier jaar tijd die heeft gezegd: wat we hier aan het doen zijn deugt niet? Is dat niet ergens besproken in een van de vele documenten die u heeft gezien? Ik neem aan dat je niet op postcode mag selecteren, of gebeurt dat ook? Dat je in een bepaalde straat woont en dan meer controles krijgt?

De heer Brouwer:

Ik begrijp dat die vraag zo vanuit de Kamer gesteld wordt, maar u moet even de positie van de onderzoeker zien in dezen, die uiteindelijk een onderzoeksvraag te beantwoorden heeft, waarbij hij wat documenten ziet. Als wij iets doen, moeten wij dat doen op basis van echt onderzoek, met onderliggende documenten. Ik vind het moeilijk om daar nu uitspraken over te doen, terwijl ik maar een deeltje heb gezien. Dat kunnen wij gewoon niet. Wij kunnen wel de vragen beantwoorden zoals wij gedaan hebben. Dat hebben we in ons rapport gedaan. Dat kunnen wij zo goed mogelijk toelichten, maar dit zit daar een beetje aan de zijkant van naar mijn gevoel. Het is lastig om daar als onderzoeker een goede uitspraak over te kunnen doen.

De heer Nijboer (PvdA):

Ik stelde een heel feitelijke vraag, want ik snap best dat u hierover geen oordeel kunt geven: dat is aan politici. Alhoewel, discriminatie is voor iedereen verboden. Maar de feitelijke vraag is de volgende. Er is 100 keer waargenomen dat de dubbele nationaliteit onderdeel is geweest van de beoordeling van de aanvraag van de kinderopvangtoeslag. Dat heeft enorme consequenties voor mensen gehad. Heeft u nergens in de documenten aangetroffen dat iemand zei «dit is niet goed»? Dat is gewoon een feitelijke vraag. U hoeft ook niet te zeggen «waar of niet». Maar is er niemand geweest die ergens, in de mt-verslagen of anderszins, heeft gezegd: jongens, wat zijn we aan het doen, dit mag helemaal niet volgens de Grondwet?

De heer Roodnat:

Ik zal ingaan op dat risicoselectiemodel. Het is wel op initiatief van de Belastingdienst eruit gehaald. Er staat een bepaalde periode in ons rapport gedurende welke het al dan niet zijn van Nederlander een criterium is in dat risicoselectiemodel. Blijkbaar is de Belastingdienst zelf tot de conclusie gekomen «hé, daar moeten we mee stoppen». Die 100 opvragingen van de eerste en tweede nationaliteit in de CAF-zaken kwamen op mij over als standaardopvragingen. Ik heb niet in de dossiers van de CAF-zaken aangetroffen dat men iets heeft gedaan met die tweede nationaliteit, behoudens in de ene zaak die genoemd is. Het was een opdrachtformulier met voorb

De voorzitter:

Dan mevrouw Lodders over nationaliteit.

Mevrouw Lodders (VVD):

Ik heb toch even de vragen erbij gezocht. Volgens mij is de vraag: in hoeverre heeft nationaliteit als indicator een rol gespeeld en is dit beleid geweest of is het automatisch gebeurd? Ik richt mij even op de samenvatting van uw rapport. Daarin proef ik toch wel wat vragen, evenals in de antwoorden, ook bij u nog. U verwijst er dan wel naar dat het niet tot de scope behoorde, maar «we hebben niet kunnen vaststellen of er nog meer van dergelijke zoekopdrachten zijn uitgevoerd», staat letterlijk in uw samenvatting. Ik ben wel benieuwd naar die stap verder. Die tweede nationaliteit is één, maar als daarna komt dat er vervolgens op nationaliteit wordt gezocht – de eerste, tweede of een andere – ga ik ervan uit dat u daarover meer informatie zou willen hebben. Waarom is die extra informatie niet boven tafel gekomen?

De heer Brouwer:

Ik zit even te zoeken naar de samenloop met het rapport van de Autoriteit Persoonsgegevens, die net een stapje verder gaat dan wij doen. Wat wij gedaan hebben, is puur vragen beantwoorden en onze bevindingen weergeven. Die zijn dat dit risicoselectiemodel wordt gebruikt, welke query's er zijn en dat die in de dossiers zitten. Dat hebben wij vastgesteld, punt. Wat dat verder qua audits voor u betekent, is echt iets wat richting de Autoriteit Persoonsgegevens gaat, denk ik.

e heer Omtzigt (CDA):

Wat bedoelt u met die laatste opmerking? Even voor het beeld. Van een aantal kinderopvanginstellingen, uit Almere of andere plekken, krijgen wij het beeld dat zij zeggen: wij zijn als instelling gecontroleerd en vooral van ouders met een dubbele nationaliteit werd de kinderopvangtoeslag stopgezet. Bij onze klanten met een enkelvoudige nationaliteit gebeurde dat niet. Dat is het verwijt. Volgens mij is dat vrij gemakkelijk na te gaan. Wij mogen, als Kamer, niet bij de individuele persoonsgegevens bij de Belastingdienst, en dat is maar goed ook. Soms willen we dat wel bij bedrijven, maar bij burgers snappen we waarom we dat niet doen. Maar wij willen graag weten: is er bij specifieke CAF-zaken, niet zijnde CAF-11, onderscheid gemaakt? In de trant van: wij zetten bij hetzelfde bureau van mensen met een dubbele nationaliteit wel de kinderopvangtoeslag stop, maar van mensen met een enkele nationaliteit niet. Heeft u er een duidelijk antwoord op of dat wel of niet gebeurd is, of kunt u dat niet zeker zeggen?

De heer Roodnat:

Wij hebben bij één CAF-zaak gezien, en dat hebben we ook gememoreerd in het rapport, dat er echt op een nationaliteit is geselecteerd. Bij de andere query's, waarbij standaard de eerste en tweede nationaliteit werd opgevraagd, hebben we in die dossiers daarvan geen aanwijzingen aangetroffen. Ik weet ook van de berichtgeving, maar ik beantwoord de vraag op basis van ons onderzoek. Er zijn geen aanwijzingen dat zij anders omgingen met ouders die een tweede nationaliteit hadden. Dat hebben wij niet aangetroffen.

De voorzitter:

Mevrouw Leijten nog over nationaliteit. Daarna ga ik naar mevrouw Lodders.

Mevrouw Leijten (SP):

Er wordt over de tweede nationaliteit gesproken en over het Nederlanderschap of het niet-Nederlanderschap. Waren dat wel twee verschillende zaken? Ik heb het volgende gehoord van ouders die hun dossier hebben gekregen, maar ik heb begrepen dat u die dossiers niet heeft ingezien, wat wellicht ook wel jammer is. Zij zeggen bijvoorbeeld: ik ben geboren in Rotterdam, ik ben gewoon Nederlander, maar in mijn hele dossier staat: die Turkse mevrouw, dat Turkse gezin. Is er dan wellicht uitgegaan van die tweede nationaliteit en is het Nederlanderschap vervallen? Heeft u daar dingen van gezien? U kunt wel zeggen dat het niet bepalend was, maar we krijgen wel iets te vaak terug dat er zo over wordt gesproken in de interne dossiers.

De heer Roodnat:

Wat wij hebben aangetroffen, ook in de vorm van vergaderverslagen, staat in ons rapport. Daar zie je ook wel dat er op een bepaalde manier over nationaliteiten wordt gesproken. Als je kijkt naar die CAF-dossiers en die 100 selecties, is de vraag, die u ook stelt, of er onderscheid is gemaakt tussen ouders die wel of geen tweede nationaliteit hadden. Dat hebben wij niet aangetroffen. Maar de Autoriteit Persoonsgegevens zal daar diepgaander naar kijken, denk ik.

De heer Omtzigt (CDA):

Ja, ik heb gewoon nog een paar simpele feitelijke vragen. Zouden we die gewoon kunnen opsturen naar de ADR en zou de ADR genegen zijn om die te beantwoorden?

Tot slot wil ik nog één onderwerp benoemen. Dat is het begrip van nationaliteit. Ook daarover zijn in onze rapportage wat vragen gegeven. Ik wil daarbij wel nadrukkelijk melden dat de Autoriteit Persoonsgegevens op dat vlak ook bezig is met een onderzoek en dat het rapport daarvan natuurlijk nog moet komen. Bij de beantwoording van de vragen zoals wij die hebben gedaan, hebben wij gezien dat er een risicoselectiemodel is, waarbij nationaliteit een van de indicatoren is. Wij hebben ook gezien dat in de CAF-dossiers zogenaamde query's zaten die over nationaliteit gingen. Dat is natuurlijk wel hetgeen wij in het dossier kunnen zien. In hoeverre er daadwerkelijk gebruik van is gemaakt, is een volgende vraag.

Reacties van lezers
No items found.