Rechtbank te Den Haag heeft in het kader van artikel 19 van de Awir een uitspraak gedaan
Artikel 6 EVRM: 1. Op 27 juni 2014 heeft de Rechtbank te Den Haag in het kader van artikel 19 van de Awir een uitspraak gedaan (ECLI:RBDH:2014:8346). De Rechtbank heeft duidelijk aangegeven dat de rechtszekerheid er aan in de weg staat dat de Belastingdienst na ommekomst van de termijn uit artikel 19 Awir tot herziening van een voorschotbeschikking mag komen.
2. Uw Afdeling heeft op 25 februari 2015 de uitspraak van de Rechtbank vernietigd (ECLI:NL:RVS:2015:586) en nogmaals het onjuiste standpunt ingenomen dat de termijn uit artikel 19 Awir slechts een termijn van orde is.
3. Onder verwijzing naar de eerdere jurisprudentie van Uw Afdeling doet Uw Afdeling de kwestie af. Dat het rechtszekerheidsbeginsel is geschonden erkent Uw Afdeling niet.
4. Bisgin is de gerechtvaardigde mening toegedaan dat de dubbele rol van Uw Raad in de weg staat aan een eerlijke procedure. Het lijkt er op dat Uw Raad koste wat kost de Belastingdienst in het gelijk wil stellen en partijen in deze, op zijn minst gezegd, niet gelijk worden behandeld. De wetssystematiek, de bedoeling van de wetgever, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en de redelijkheid en billijkheid worden zonder deugdelijke motivering gepasseerd.
5. Bisgin doet dan ook beroep op artikel 6 EVRM en verzoekt Uw Afdeling de procedure te toetsen aan de eisen die artikel 6 EVRM aan een procedure stelt.
6. Uw Afdeling wekt de schijn van partijdigheid in de hand door op essentiële onderdelen de wet- en regelgeving niet juist toe te passen en partijen niet gelijk te behandelen. Derhalve is sprake van een eerlijke procedure, noch van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van het rechterlijk college.
7. Artikel 6 EVRM stelt dat een ieder recht heeft om bij de vaststelling van zijn/haar burgerlijke rechten en verplichtingen de zaak door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht te doen behandelen.
8. Bisgin is bekend met de omstandigheid dat artikel 6 EVRM alleen van toepassing is op geschillen over rechten en verplichtingen waarvan op goede gronden gesteld kan worden dat zij erkend zijn onder nationaal recht. Indien een belang op nationaal niveau wordt erkend als een recht, biedt artikel 6 EVRM rechtsbescherming. Daarbij dient te gelden dat het niet zozeer om de omschrijving van het recht gaat, maar om de wezenlijke betekenis van dat recht.
9. De rechten en verplichtingen in het kader van het verkrijgen van kinderopvangtoeslag zijn in Nederland van overheidswege erkend en zijn wettelijk vastgelegd in de Wko en andere wetten c.q. regelgeving.
10. Ik wil Uw Afdeling er op wijzen dat op basis van het Procola-arrest (EHRM 28 september 1995, NJ 1995, 667) bij Uw Raad een beleidswijziging is ingevoerd waardoor gewaarborgd kan worden dat rechters niet oordelen over de zaken waarover zij eerder geadviseerd hebben.
11. Het is voor Bisgin niet duidelijk welke leden van Uw Raad in het kader van de Wko hebben geadviseerd, er is hiervoor een Wob-verzoek neergelegd, maar op de site van Uw Raad is te vinden dat mr. J.E.M. Polak deel uitmaakt van de Afdeling Advisering van Uw Raad en tevens voorzitter is van de Afdeling Bestuursrechtspraak van Uw Raad.
12. Het feit dat op artikel 6 EVRM nu pas beroep wordt gedaan heeft te maken met de omstandigheid dat de hiervoren aangehaalde uitspraak van 25 februari 2015 van Uw Afdeling duidelijk maakt dat Uw Afdeling de Belastingdienst het hand boven het hoofd houdt en ongeacht de juiste en inhoudelijk goed gemotiveerde uitspraak van de Rechtbank te Den Haag, onder verwijzing naar haar eerdere uitspraken, met het enige doel de Belastingdienst in het gelijk te stellen, de uitspraak doelgeredeneerd vernietigt.
13. Dat de wet niet alleen geen gevolgen heeft verbonden aan de overschrijding van de termijn uit artikel 19 Awir, maar ook niet aan het ontbreken van een overeenkomst en/of het bewijs ten aanzien van de gemaakte kosten, laat de Afdeling onbesproken.
14. Dat de wetgever wegens het geschonken vertrouwen in de Belastingdienst geen bepaling heeft opgenomen om de overschrijding van de termijn uit artikel 19 Awir te sanctioneren, wordt verder ook volledig onbesproken gelaten.
15. Uit alles blijkt immers dat artikel 19 Awir een fatale termijn is en kan het niet zo zijn dat Uw Afdeling de Belastingdienst de ruimte laat om een wettelijke termijn met meer dan 3, 4, 5 en soms zelfs 6 jaar te overschrijden.
16. De Rechtbank heeft in casu miskend dat de wetgever op geen enkele wijze voor ogen heeft gehad dat de Belastingdienst in strijd met artikel 19 van de Awir mag handelen. Immers, de wetgever heeft geen gevolgen aan het overschrijden van de genoemde termijn verbonden omdat zij bij uitstek vertrouwen in de Belastingdienst heeft geteld en heeft verwacht dat de Belastingdienst geen oneigenlijk gebruik van dit artikel zou maken. Het tegengestelde is echter gebleken.
17. Dat artikel 16 Awir de ruimte biedt om een nog niet vastgesteld voorschot te herzien is op zich juist, maar artikel 16 Awir vindt slechts gelding totdat de termijn uit artikel 19 Awir is verstreken. Na ommekomst van de termijn uit artikel 19 Awir kan artikel 16 Awir niet meer worden ingezet.
18. Uw Afdeling handelt in strijd handelt met artikel 6 EVRM. Het feit dat mr. Polak voorzitter is van Uw Afdeling en tevens deel neemt aan de Afdeling Advisering geeft aan dat in strijd wordt gehandeld met het Procola-arrest uit 1995.
19. Het is Bisgin inmiddels bekend geworden dat de Afdeling Advisering van Uw Raad al haar adviezen plenair behandelt en derhalve alle leden van de Afdeling Advisering deel nemen aan de adviesvergaderingen over wetgeving, waaronder die toezien op de Wkkp (huidige benaming Wko).
20. Al zouden de uitspraken van Uw Raad niet evident in strijd zijn met wet- en regelgeving, dan nog dient de enkele omstandigheid dat Uw Raad haar adviserende en rechtsprekende taken niet gescheiden kan houden, te leiden tot de conclusie dat Uw Afdeling haar rechtsprekende taken dient neer te leggen.
21. Uit onderzoek is immers gebleken dat meerdere voormalige leden van de Afdeling Advisering, in de periode van hun lidmaatschap bij de Afdeling Advisering tevens deel hebben genomen aan de Afdeling Bestuursrechtspraak en recht hebben gesproken.
22. Hierbij dient tevens opgemerkt te worden dat sommige staatsraden geen recht hebben verkregen op het voeren van de titel meester in de rechten hetgeen evident strijd oplevert met de Wet op de Raad van State.
23. Uw Afdeling wordt dan ook eerbiedig verzocht zich onbevoegd te verklaren om van het onderhavige geschil kennis te nemen en de zaak te verwijzen naar een andere rechterlijk college, een college dat wel aan de eisen van artikel 6 EVRM voldoet.
.avif)